jt

NED / ENG

logo

De Beelden van Johan Tahon - Joost Demuynck

Dit essay is niet geschreven door een kunsthistoricus. Het is eerder geschreven door een kunstliefhebber, iemand die kunst liefheeft, iemand die eveneens besmet is door de psychoanalyse en juist hierdoor wil leren van kunstwerken. Dit schrijven is veeleer een zo eerlijk mogelijk relaas van wat de sculpturen van Johan Tahon teweeg brengen, welke lectuur ze verschaffen. De ontmoetingen met zijn werk zijn voor mij begonnen in 1996 met de tentoonstelling ‘De rode Poort’ net voor de opening van het SMAK.

Dit essay is niet geschreven door een kunsthistoricus. Het is eerder geschreven door een kunstliefhebber, iemand die kunst liefheeft, iemand die eveneens besmet is door de psychoanalyse en juist hierdoor wil leren van kunstwerken. Dit schrijven is veeleer een zo eerlijk mogelijk relaas van wat de sculpturen van Johan Tahon teweeg brengen, welke lectuur ze verschaffen. De ontmoetingen met zijn werk zijn voor mij begonnen in 1996 met de tentoonstelling ‘De rode Poort’ net voor de opening van het SMAK.

Het imaginaire

Een eerste en al te gemakkelijke referentie die de werken oproepen is het zogenaamde spiegelstadium van Jacques Lacan. Lacan, de meest belangrijke psychoanalyticus na Freud ontwikkelde zeer vroeg in zijn onderwijs het register van het imaginaire, waarin aanvankelijk het spiegelstadium en later het lichaam zelf centraal stonden. Dit imaginaire werd steeds tegenover het belang van het symbolische, de taal geplaatst. Verduidelijken we dit even.
In navolging van Wallon schetst Lacan het spiegelstadium als een fase die een kind doormaakt tussen de zes en de achttien maanden. Het is de periode waarin het kind van een verbrokkeld lichaam tot een imago, tot een eenheidsbeeld komt. Deze omwenteling, want is heus niet zo vanzelfsprekend gebeurt via de Ander. Deze Ander kan zowel worden begrepen als de moeder en als de taal waarin het kind wordt geboren. Om het concreet te maken: het is dank zij de benoeming van de moeder, die het kind voor de spiegel houdt en benoemt . Hiermee situeert ze het kind tegenover de omgeving, een kind dat op dat ogenblik noch neurologisch, noch fysiologisch volledig rijp is en reeds een totaal beeld krijgt van zichzelf, een zelf wordt. Het tot stand komen van een totaalbeeld is met andere woorden geen natuurlijke zaak. Eerst is er dus een verbrokkeld lichaam. De referenties die Lacan daarvoor heeft zijn tweeledig. Eén ervan heeft te maken met de kunst en hij denkt hierbij aan de schilderijen Jeroen Bosch en een tweede referenties is de kliniek van de schizofrenie. Een definitie die Lacan van de schizofreen zal geven is dat hij alle moeite heeft om zijn organen een functie te geven. Inderdaad zijn er bij de schizofreen heel wat wanen en lichaamsbelevingen die te maken hebben met een verbrokkeling van zijn lichaam.
In onze Westerse cultuur zijn er een aantal kunstenaars die deze verbrokkeling hebben getoond: Bosch, Dali, Picasso tot Bacon. We zouden Johan Tahon in deze reeks kunnen onderbrengen. Laten we deze oefening eerst even maken.
De titel van een werk ‘Self-Self’ toont ons reeds de ontdubbeling aan tussen het zelf en zijn spiegelbeeld. Het is het moment waarop de identificatie niet voltooid is, waarop er een splitsing is, of waarbij de vervreemding zich toont. Want ook dit is een belangrijk moment in het spiegelstadium, het tijdstip waarbij het kind een leeftijdsgenootje ziet als een ander-gelijke. Dit kan tot een regelrechte agressie leiden wanneer de ander te gelijk wordt, wanneer ‘wie, wie is’ niet meer duidelijk is. We kennen dit allemaal in de opvoeding van onze kinderen: een kind slaat een ander en begint zelf te huilen zeggende geslagen te zijn.
Er zijn andere werken die eerder de verbrokkeling tonen. De sculpturen ontgroeien nauwelijks hun armatuur, hun steunpunten. Integendeel enkel van hen blijven gestut door hulpbalken
( Zentrum-Geistern en Airspike I). De kunstenaar toont ons het ‘echte’ van het lichaam, hoe broos het is en hoe zeer het verschillende stutten nodig heeft. Dit staat regelrecht tegenover het schoonheidsideaal, het maakbare lichaam zoals we het in onze hedendaagse cultuur zien.
En ook hier toont de kunstenaar ons iets bijzonders.

Het symbolische

In tal van tentoonstellingen en ook op tal van werken zie je het woord, althans zo kan het worden begrepen, ES terugkeren. Voor Freud was dit de kern van het onbewuste, daar waar de driften hun huis hebben. De driften die ons lichaam verscheuren. Daar tegenover staat in onze hedendaagse cultuur het Uber-Ich, het bevel van “wees mooi, wees jong, GENIET!”. Dit genieten wordt grenzeloos. Boezems stoppen niet met groter worden, lippen worden voller, het gelaat steeds strakker tot je uiteindelijk het lichaam als een soort pop overhoudt, ontdaan van alles wat het subjectief en persoonlijk maakt.
We laten onze beschouwingen kantelen naar het symbolische. Na Lacan kan dit niet anders worden begrepen als de taal. Maar in het werk van Tahon moet dit eerder worden herleid naar symbolen, in een zoektocht naar wat hij noemt ‘ een oer-dom’.
“ De gevoeligheid voor het boven-alledaagse maakt de kunstenaar tot priester, sjamaan, tovernaar of boodschapper, die via het kunstwerk de mensen iets toont van wat achter, onder of naast de realiteit ligt. (…) Iets van het onbewuste, iets van de droom, van het visioen: een universeel, mythisch ervaren. Een oer-dom.” We kunnen de kunstenaar uiteraard niet onmiddellijk ongelijk geven wanneer hij dit zo stelt. In onze cultuur liggen beelden neer van ‘vrouw’ en ‘man’ of ‘kind’ en ‘ouder’. Maar het zou een vergissing zijn te denken dat deze beelden die eigenlijk betekenaren zijn ook een betekenis zouden hebben. Het is iedereen bekend dat deze beelden evolueren met de tijd en de maatschappij waarin ze functioneren. Met andere woorden er is niet één waarheid die aan de grondslag zou liggen van een beeld. Dit belet een subject niet om op zoek te gaan naar iets wat een oorspronkelijke waarheid of eenheid zou hebben uitgemaakt. We kennen het sinds de oudheid uit de mythe van Aristofanes. Wat Lacan ontdekt heeft en wat de werkelijke grondslag is heet “ de onmogelijke verhouding tussen man en vrouw”. En meer bepaald dat “ De Vrouw” niet bestaat. Dat je moet spreken van een vrouw, en dat je er geen klasse of verzameling kunt van maken. Toch niet wat betreft hun genieting.  De mannen zijn daarentegen eentonig fallisch georiënteerd.
Deze niet-verhouding doet ons uitvinden en daarin gaat de kunstenaar ons vooraf.
Kunnen we ons daarmee tevreden stellen, is dit alles wat de kunstenaar ons kan leren?

Het Reële

Er is meer. Er is meer en het is moeilijker om het in woorden te brengen. Het werk van Tahon is meer dan een spel met vormen, een tonen van de fundamentele verbrokkeling die eigenlijk nooit helemaal wordt opgelost, zelfs niet door de meest bekwame plastisch chirurg.
De beelden van Tahon spelen een spel met het licht. Ze incarneren dit licht, ze brengen het voort en hebben daardoor ook iets Unheimlichs. Het onheimelijke komt niet alleen door de verbrokkeling, maar ook door het licht, de beelden kijken u aan zonder te kijken. Door hun lichte aanwezigheid roepen ze ook een ondraaglijkheid op. Deze ondraaglijkheid wordt niet alleen door de stutten verbeeld, maar ook door de blik.   
Een ander aspect naast de blik, is de ontmoeting met de materie zelf, het gips, het brons, de polyester. Hoewel zeer diverse materialen samen gehouden door het karakteristieke van het beeld, hebben ze een ruwheid gemeen. Een voelbare ruwheid, iets dat kwetst, iets dat ook een gekwetstheid toont. Maar deze materialen bevatten een spel tussen het witte, het licht en hun massa. Deze dialectiek blijft duren, omdat er geen oplossing komt, er is geen Eén.
Maar zou aan de basis hiervan niet iets anders kunnen liggen. Johan Tahon verwoordt het in een interview met Isabelle Debaets als volgt: “ Onbewust ga je op zoek naar de ander, naar iemand waarin je jezelf herkent, iemand die een weerspiegeling is van jezelf. Tegelijk ervaar je echter de onmogelijkheid van een echte vereniging. Ondanks de herkenning in de ander blijft er een kloof, want je kan enkel weten wat er in jezelf omgaat. Het drama dat je fundamenteel alleen bent, blijft bestaan.”  Onafgezien of je jezelf zoekt in de ander of niet, blijft de kloof met de ander, word je teruggeworpen op jezelf. Lacan formuleerde het als volgt: “ de seksuele verhouding bestaat niet”. Tussen man en vrouw is er geen seksuele verhouding, het is een onmogelijkheid. En dan moeten ze uitvinden, de liefde bijvoorbeeld, hun liefde. Of men kan een symptoom uitvinden, kunst bijvoorbeeld. En Lacan verwijst naar Joyce die van zijn schriftuur zijn ‘sinthoom’ heeft gemaakt, iets dat een verknoping biedt, een verdediging is tegen een overspoelende genieting die niets meer met lust heeft te maken en die Freud de doodsdrift heeft genoemd. Maar ook Johan Tahon verwoordt iets dergelijks wanneer hij zegt “ De beeldhouwer beeldhouwt uit zelfbescherming. Hij hoedt zich met het beeld tegen het leven en de eenzaamheid ervan. De geworden sculptuur is een geschenk en een troost, een zalving. Het toont een mogelijkheid om (in) te geloven. Om niet weg te zinken.”

Een sinthoom

Kunst als een “sinthoom” begrijpen lijkt op het eerste zicht schandalig. Maar dit komt dan omdat men een symptoom nog steeds begrijpt in een soort medisch vertoog. Het symptoom wordt dan gezien als een soort stoornis. Met de psychoanalyse daarentegen begrijpt men het symptoom als een verdediging tegen het onmogelijke, tegen de genieting waarvan de kant van de doodsdrift het subject kan overspoelen en zijn evenwicht bedreigen. Het subject neemt dan niet de adequate oplossingen voor zijn bestaan. Een psychoanalyse stelt een subject in staat zich van het symptoom waaronder hij lijdt, te ontdoen. De analyticus stelt het subject een nieuw, helend symptoom te vinden waardoor hij een nieuw leven kan starten. Dat nieuw symptoom zou zelfs kunst kunnen zijn. Maar de kunstenaar heeft het zonder de analyticus gevonden. Hij gaat de analyticus vooraf en toont in zijn werk zijn eigen oplossingen. Hij concentreert in zijn werk de objecten waarmee hij te maken heeft, die zijn genieting bevatten, die dit tonen en ook verhullen. Bij Tahon is dit de blik, de blik die in zijn werk aanwezig is en ons fascineert. Maar zijn werk bestaat uit verschillende lagen.  Hij gaat  zo ver ook de verbrokkeling te tonen waartoe de blik in staat is, de blik waaronder je als subject verbrokkelt en verdwijnt. En weer een andere laag houdt dit alles tesamen, toont de lichtheid, is licht-heid en doet ons onze blik neerleggen wat een (esthetische) bevrediging met zich meebrengt.


Joost Demuynck, psychoanalyticus