jt

NED / ENG

logo

Perseus Point - Bernard Dewulf

Sterren vallen niet. Sterren sterven. Ze worden geboren, zijn jong, dan middelbaar, vervolgens oud en gaan ten slotte dood.
Net als wij.
Doodgaan doen ze soms anders dan wij. Dan moet het hele heelal het zien. Sommige sterren sterven met sterrenallures.
Maar ze kunnen net zo goed wegkwijnen. Als vergeten diva's.

Inleiding bij de onthulling van PERSEUS POINT van Johan Tahon, op 12 augustus 2009.


Dames en heren,

sterren vallen niet. Sterren sterven. Ze worden geboren, zijn jong, dan middelbaar, vervolgens oud en gaan ten slotte dood.
Net als wij.
Doodgaan doen ze soms anders dan wij. Dan moet het hele heelal het zien. Sommige sterren sterven met sterrenallures.
Maar ze kunnen net zo goed wegkwijnen. Als vergeten diva's.

Sterren vallen dus niet.
Toch zeggen we dat. Soms mogen we dan een wens doen. Vallende sterren zijn een sprookje, de waarheid heet meteoor. Dat klinkt al wat wereldser.
Zoeft er een meteoride door onze dampkring, dan is het als een lucifer die aangestreken wordt. De laatste weken zijn er naar verluidt duizenden lucifers aangestreken door de dampkring, dat lichtfeest hebben wij de Perseïden genoemd.
Komen ze met veel, dan noemen we het een zwerm. Een zwerm brandende bijen in onze dampkring.
Ook noemen we het sterrenregens.
In onze taal kan het van alles regenen: klachten, pijpenstelen, kogels, oude wijven, vijffrankstukken, blaasjes.
En ook sterren, dus.

Zo zien wij vanalles en wij benoemen het. Omdat we anders niet zouden weten waar we staan.

Sterren vallen dus niet. Het is een beeld. Het is beeld-spraak. Soms maken we een beeld van iets omdat we sprakeloos zijn en toch iets willen zeggen. In een taal. Daar is ook een woord voor: beeldtaal.
Ik weet niet waarvan er de meeste zijn: meteoren of woorden.
We zijn hier vanavond samen om twee beelden: dat van de sterrenregen en dat van Johan Tahon. Het is een interessante drie-eenheid. De sterrenzwerm als natuurverschijnsel, het beeld van Johan Tahon als cultuurverschijnsel en wij een beetje van de twee.
Johan Tahon houdt zich, als de kunstenaar die hij node is geworden, bezig met de natuur van de mens. Wie zijn wij? Waar komen we vandaan? Waar gaan we naartoe?
Vragen die iedereen weleens heeft, bijvoorbeeld onder een sterrenhemel.
Het zijn de vragen van de filosofie, het zijn ook de vragen van het laatste kind in ons. Of het eerste kind.
Het zijn de grote ogen van de verwondering.

Er schuilt iets kinderlijks in wat wij hier vanavond doen.
Ik herinner mij nog dat een kind op een avond, in de tuin, naar boven kijkend, zei: daar is opa. Opa was een ster geworden. In die fase zwijgt men nog en knikt liefdevol. Soms zat opa zelfs in een vliegtuig. In die fase vliegen vliegtuigen nog eeuwig rond.
Tegen beter weten in, wens ik te geloven dat wij vanavond even opnieuw in zo'n fase verkeren. We staan te wachten op een onthulling. Een aanstaande onthulling is een langgerekte vraag.
Ik denk dat het beeld van Johan Tahon ook een langgerekte vraag zal zijn. Zoals wel meer van zijn beelden.
De bestaansreden van de onthulling is dat ze een openbaring in het vooruitzicht stelt. Een onthulling van het bekende is geen onthulling. De openbaring is het uitzicht van de verwondering. En zowel verwondering als openbaring vergen: aandacht. Zonder een minimum aan aandacht vindt het gebeuren van de verwondering en de openbaring niet plaats.

Laat ik nu niet doen alsof wij vanavond het licht zullen zien.
Maar we zijn hier wel bij elkaar rond dingen die vragen aanwakkeren. Zoals wind een smeulend vuur. Ik denk dat dat nodig is, Johan Tahon denkt dat ook. Anders maakte hij geen vraagtekens van beelden.
Ik zie te veel mensen die geen vragen meer dulden. Ze weten het al. Ze weten het al-lang allemaal.
De hoogmoed van betweters.
Daar ontstaat het verschil tussen kinderachtig en kinderlijk.             
Op een bepaald moment wordt het hebben van vragen beschouwd als een kinderziekte. Zoals de mazelen. Of de pokken. Die vragen bedreigen de vanzelfsprekendheid en de zelfvoldaanheid. Vragen, en de bijbehorende argeloosheid, worden dan als kinderachtig beschouwd. Terwijl het omgekeerd is: wie ophoudt vragen te hebben is kinderachtig en is bang geworden voor kinderlijkheid.
Het is angst voor de afgrond.

De afgrond is niet per se iets dieps, iets vers, iets afwezigs. Het is net zo goed het dichtbije, de omgeving, de medemens, de andere. Of wijzelf.
Daarover, denk ik, gaat fundamenteel het werk van Johan Tahon. Wat beweegt ons? Hoe bewegen wij ons rond de afgrond? Hoe bewegen wij ons tegenover elkaar?

Een beeld, een sculptuur is altijd een vreemd lichaam. Niet noodzakelijk vreemder of onbegrijpelijker dan een echt lichaam. Wel onbeweeglijk en van een andere materie dan wij. In die onbeweeglijkheid en in die andere materie wil het niettemin iets zeggen over ons.
Een beeld kan helderder spreken dan wij.

Wat wil Johan Tahon met zijn beelden zeggen over ons?
Dat is een moeilijke vraag.
Mij dunkt dat hij dat vooral overlaat aan elk beeld apart. Al denk ik dat de beelden weinig antwoorden bevatten.
Maar als het de beelden zelf zijn die moeten spreken, met hun heel eigen stem, dan is hun spraak toch vooral geleid door de handen van hun maker. En diens handen zijn de ledematen van zijn blik. En zijn blik is - nu ja, men zegt, het venster van de ziel.

Johan Tahon wil bezielde beelden maken. Dat wil, neem ik aan, elke beeldenmaker. Bij hem gaat het vooral om aanspreken. Letterlijk dan. Niet zozeer: spreekt dit beeld u aan? Maar spréékt dit beeld u aan. Hij zegt het zelf als volgt: "Ik hou ervan op een plaats te komen waar je alleen bent en waar je opeens geconfronteerd wordt met een object, dat iets in jezelf aanspreekt. Het is die verschijning, die aanwezigheid van 'iets'."
Elk beeld moet een leegte om zich heen overwinnen. Dat moeten mensen ook. Wij kunnen die leegte bezweren met gebaren, met schijnbewegingen, met dans, met kledij, met Chanel No 5, met omhelzingen, enzovoort. Een beeld staat er alleen voor, het is een blinde in het spitsuur van het heden.
Elk beeld heeft iets hulpeloos en iets machtigs tegelijk. Wat staat het hier eigenlijk te doen onder ons, even weerloos als ongenaakbaar? Is het een spiegelbeeld? Is het een teken? Is het een evenbeeld? Een tegenbeeld?
In ieder geval is het een vreemdeling.
En we weten hoe wij met vreemdelingen omgaan.
Johan Tahon maakt vaak witte vreemdelingen.
Op het eerste gezicht lijken ze daardoor iets zuivers te hebben. Maar ze hebben het niet gemakkelijk. Soms hebben ze twee hoofden. Of ze hangen vreemd voorover. Of ze zijn zo lang dat ze dreigen te breken. Of ze wringen zich in bochten.
Altijd vind ik ze op zoek naar iets.
Misschien naar ons.
Het zijn vaak beelden met zowel een rust als een hunker in ze. Verheven en dienend. Ongenaakbaar en bereikbaar.

Dat klinkt misschien allemaal nogal abstract.
De beelden van Johan Tahon zijn: zeer concreet, tactiel, bepoteld en toch ook moeilijk te grijpen, met vaak iets onwezenlijks.
Al geven ze aanleiding tot tal van beschouwingen, we mogen niet uit het oog verliezen dat het maaksels zijn. De maaksels van een groot kind.
Ik bedoel: ik heb zitten kijken naar hoe Johan Tahon te werk gaat in zijn atelier. Tahon maakt geen geheim van zijn werkplaats, wij mogen rustig zien hoe hij zijn beelden vervaardigt. Het is er geen geheime tovertuin, waar raadselachtige magie bedreven wordt.
Toch komt er iets magisch naar buiten.
Het zoveelste bewijs dat men niet moet toveren om te betoveren.
Het is in de eerste plaats handwerk. Zeulen, pappen, aanmodderen. In het getouw zijn, sleuren en labeuren met materialen en zonder probleem veel vuil maken.
Het gebeurt allemaal, in mijn ogen, met een kinderlijke goesting. Daar bestaat een mooi woord voor, nog mooier dan sterrenregens: geestdrift.
Een drift van de geest.
Het moet niet altijd van het lichaam zijn.
Het is zichtbaar wat Johan Tahon drijft: een goesting, een drift om dingen te maken. Domweg te máken. En ook uitdrukkelijk te laten zien dát het gemaakt is.

Elk goed beeld, elk goed kunstwerk is een tong, een middenvinger, of toch minstens een gebaar tegen de leegte.
Het kan ook een omhelzing zijn.
Bij Johan Tahon kan het allemaal.
Vanavond groet hij zelfs de sterren. Van een omhelzing gesproken. Maar het zal niet, nooit ondubbelzinnig zijn. Altijd zit er wel een zekere wanhoop in zijn werk. Ik denk: de moed der wanhoop. Misschien is dat wel de sterkste moed die er bestaat.

Ik kan het moeilijk helemaal uitleggen, maar bij veel beelden van Johan Tahon komt mij de uitdrukking voor de geest: vallen en opstaan. Het ene beeld lijkt te gaan vallen, het andere lijkt net weer te zijn opgestaan. Misschien hebben ze daarom soms twee hoofden: één om mee te vallen, één om weer mee op te staan.
Vooral lijkt het me dat ze bestaan in een moment tussen beide, tussen dat vallen en opstaan, tussen zich terugtrekken en de ontmoeting, tussen zwijgen en spreken, tussen laten en doen.

Het beeld van vanavond zal tussen ons en de sterren staan. Er is weinig uitgestrekter leegte dan tussen ons en de sterren. Daarom zeggen we ook dat we tegen de sterren op drinken, vloeken, liegen. Of naar de sterren reiken, als naar iets onmogelijks.
Mijn vermoeden is dat dit beeld de twee zal doen: tegelijk onder ons, vloekenden, liegenden, drinkenden blijven én naar de sterren reiken.
Een mens van brons, als het ware.