jt

NED / ENG

logo

Interview met Johan Tahon (De Morgen, 18 december 2010) - Marijke Libert

Johan Tahon omringt zich in zijn atelier in Oudenaarde en Zwalm met witte gipsen beelden en keramische figuren. Spoken, gidsen binnen een brede kosmologie, of verbeeldingen van Christus? Wie zegt het. Steeds is hij op zoek naar de ultieme vorm vanuit een diep voelen. Het concentraat, daarnaar tracht hij vooral, die ultieme kick zonder drugs. Zijn werk komt uit angst en noodzaak voort, uit verwondering en vervulling. Woestijnvis volgde hem voor Canvas, een reportage die dit weekend wordt uitgezonden. Tahon opende alvast zijn hart en de poorten van werkplaats voor deze krant.

Schonkig, in zichzelf bezonken, zo stapt hij binnen. Kop in kas, baard diep in de winterjas. Nog iets diepere ogen dan gewoonlijk. Hij legt twee catalogi neer en zucht.

De Morgen: Je lijkt bedrukt, Johan.

Johan Tahon: “Ik heb belangrijke dingen te vertellen. Het dwingt me, het voelt aan als een diep verlangen. Ik penetreer graag iemands hersenen. Vanaf dat moment los ik op, ben ik niet meer alleen. Het opgesloten zijn in mezelf is een drama. De realiteit niet snappen, ook (denkt na, zucht). Kijk, ofwel leg ik me hier helemaal bloot, geestelijk dan, ofwel hanteer ik de bescherming die ik doorgaans gebruik om de dagelijksheid te trotseren. Ik heb op weg naar hier voor het meest intense gekozen. Omdat ik jou ooit voor een beeld van mij in tranen zag uitbarsten, je kende mij niet eens, noch mijn werk. Mijn taal heb je ontvangen en je gaf me jouw emotie terug. Daarom: intensiteit.”

Je hebt kunstenaars die weinig naar buiten komen of communiceren over hun werk. Jij doet dat wel meer.

“Omdat mijn werk anders geen plaats krijgt in de wereld. Ik beschouw het als een soort offer brengen.”

Je praat nog steeds graag in religieuze termen, merk ik.

“En ik blijf religie graag onderzoeken. Ik heb onlangs een heel mooi boek gekocht ‘The Sexuality of Christ in Renaissance Art and in Modern Oblivion’. Ongelooflijk interessant. De metafoor Christus wordt ook steeds belangrijker voor mij. Een aspect ervan kende ik nog niet, en dat is het seksuele aspect. In de middeleeuwen en in de renaissance werd een soort seksuele symboliek gebruikt binnen die Christusfiguur. Zeer opmerkelijk waren onder andere de fallische elementen in schilderijen van de stervende Christus. Voor mij maakten die afbeeldingen alles volledig. Het was alsof de puzzel in elkaar viel. Die schilderijen werden later, in de negentiende eeuw, gecensureerd of overschilderd. Na de renaissance is er zo veel verloren gegaan van het intuïtieve leven, van de goddelijkheid. De mens kwam centraal te staan, ten koste van spiritueel leven. Hoewel ik een kind ben van deze tijd en leerde met de materie in hier en nu om te gaan, is er iets in mij blijven weigeren om in de pure ratio te stappen.”

Je vindt geen vervulling in de verklaring.

“Verklaringen bevredigen mij niet. Ik hou meer van raadsels. Neem dat raadsel van geestescontact tussen mensen, of van seksuele energie zonder dat je elkaar aanraakt. Via mijn kunst en mijn objecten ontdekte ik dat het bestond. Het stoort me nu enorm dat het rationele steeds meer gaat overheersen in de kunst van vandaag. Het zijn illustraties van ideeën, het is niet het volledige werk.”

Kunst is toch steeds in interactie met de wereld?

“Het verhaal dat in mij zit en naar buiten wil, is tijdloos en universeel.”

Je bedient een breed publiek, van modale kunstliefhebber tot vorstenhuis. Koningin Beatrix is fan van jouw werk. Hoe ga je daarmee om?

“Voor het royalistische aspect ben ik niet bepaald gevoelig, ik geraakte wel gefascineerd door het verhaal van de koningin. Ik vernam dat ze op heel jonge leeftijd interesse had voor een soort mystiek. Misschien daarom dat ze zo’n gevoel in kunst legt, dat ze zelf beelden maakt en kunst verzamelt. En ze weet heel veel over Belgische kunstenaars.”

Hoe kwam ze met jouw werk in contact?

“Ik maakte een paar jaar terug een enorm beeld voor het ministerie van Financiën in Den Haag. De koningin wou dat werk en het gebouw waarin het stond inhuldigen. Een paar dagen ervoor belde een van haar hofdames met de melding dat hare majesteit een privé-gesprek met mij wou. Er zou een ruimte worden afgezet waar ik me met de koningin kon terugtrekken. Nu, toen wij ons afzonderden, kwam ineens toenmalig minister Wouter Bos bij ons staan grapjes maken. De koningin en ik stonden naar elkaar te kijken van ‘het zal niet voor nu zijn’. Ze kreeg toen wel het voorontwerp van het grote beeld mee als geschenk. Toen haar chauffeur dat beeld ophaalde in het ministerie stond ik nog te vloeken van ‘verdorie toch, waarom konden we niet spreken’. Ik had iets voorbereid, wou uitleggen waarom ik beeldhouwer werd, én haar vragen waarom zij van alle kunsttakken net in beeldhouwkunst was geïnteresseerd. Ik weet namelijk dat iemand die voor sculptuur kiest een beetje anders is, iets zwaarmoediger. Nu, een tijdje later kreeg ik bericht van het paleis dat de koningin ons gesprek wou hernemen in haar atelier. Ze had er spijtig genoeg nu geen tijd voor, het gesprek zou doorgaan van zodra ze met pensioen was. Ik wacht.”

Wat zien mensen in jouw werk, denk je?

“Dat is me een raadsel. Ik werk elke dag, in het atelier, of tekenend in de hoek van een cafetaria. Ik ben steeds met het volgende bezig. Wat ik gemaakt heb is weg. Mijn beelden zijn niet heilig voor mij. Ik ga niet bij kopers controleren of het op de juiste plek staat, ik vraag hen niet waarom ze het uitkozen. Ik kan alleen hopen dat die stroom van waaruit ik toegewijd werk, hen raakt. Voor mij is het noodzaak, verlangen, verwondering. Het gaat over het niet begrijpen van deze wereld. Het is puur. Wat eruit voortkomt, is los van een artistieke waarde of kwaliteit, de kristallisatie van een grote honger. De rest laat ik los. Mijn beelden mogen op reis gaan, gekocht worden, elders geplant. Het is als een boom die zijn vruchten afwerpt, wat de mensen met die vruchten doen is hun zaak.”

Vroeger kampte je nogal met angsten. Is dat beter?

“Jawel. Ik ben echt gelukkig nu, vrij van toestanden met te gretige galeristen, en blij als mijn geliefde dicht bij mij is. Dan benadert mijn leven de perfectie. Mijn vrouw Eva is mijn grote liefde. Ze is een soort oermoederfiguur, ook al is ze zestien jaar jonger dan ik. Elke porie in mij houdt van haar, bewust en onbewust. Ik merk hoe ik soms strelend wakker word. Maar toch stap ik er graag eens uit, verdiep ik me in mooie mensen, mooie geesten, voer ik intelligente gesprekken waarbij sensualiteit meeloopt. Goede ontmoetingen zinderen doorheen je lichaam. En net dat maakt mijn eigen relatie nog sterker. Doorheen die ontmoeting kom ik soms rare zaken tegen, rare mensen ook.”

Je werd ooit opgebeld door de Franse acteur Gérard Depardieu die een catalogus van je zag en je al ’s anderdaags in Parijs wou ontmoeten.

“Heel vreemd maar mooi, want het klikte geweldig. Je mag over die zaken niet te veel nadenken, over hoe het allemaal liep, hoe snel het ging. Ik heb me in mijn beginjaren in mijn atelier verstopt tot Jan Hoet me eruit haalde. Erna kwamen de eerste tentoonstellingen, zocht en vond mijn werk z’n weg, hier, in Nederland, Verenigde Staten, in Istanbul.”

Je liep Michael Stipe van REM tegen het lijf in een Amerikaanse galerij.

“Ook toeval (twijfelt). Maar, gaan de mensen nu niet te veel denken dat ik me aan die namen optrek? Op zich betekent de bekendheid van die mensen niets hoor. Ik zoek hen niet op, een soort toeval brengt ons samen. Stipe was wel een match. Onmiddellijk. Ik draaide me om in de galerij die mijn werk aan het opzetten was en ineens stond hij naast mij. Ik werd bloedrood, terwijl hij rustig vragen stelde over wat ik wou verbeelden. Er stond keramisch werk, er stonden beelden waarover een soort melk leek gegoten. Heel sensueel erotisch. ‘Awsome, awsome’, zei hij de hele tijd. Een dag later stond hij er voor de opening, met z’n vriend. Hij diepte zijn iphone op, toonde foto’s van zijn kunstverzameling en van werken die hij zelf gemaakt had. ‘Look, similar forms’, zei hij. Wat me nog het meeste raakte was toen z’n vriend me vertelde dat hij een emotionele tijd doormaakte. ‘He’s in a difficult moment’. Ik had dat gevoeld, een soort angst, een breekbaarheid. Hij was volop aan het creëren, nieuwe muziek aan het opnemen, wat hem geweldig openstelde en dus kwetsbaar maakte. Net op dat moment ontmoetten we elkaar en klikte het. Bijeengedreven in emotionaliteit, denk ik dan. Als ik dat zeg tegen een psycholoog, zegt hij: ‘Dat is fantastisch’. Zeg ik dat tegen een psychiater, dan zegt hij: ‘Dat soort mensen ruikt elkaar van op uren afstand’. Ik besluit: ach, het is gewoon liefde.”

En dwang ook, je streeft altijd naar dat condens gevoel, naar die kick zonder drugs.

“Ik zoek concentratiepunten. Ik ben er verslaafd aan, ik wil van het ene concentraat naar het andere toe. Je kan van orgasme naar orgasme leven maar je kan ook van het ene mentale orgasme naar het andere reizen. Ik ben heel veel in Istanbul. Daar voel ik het zo sterk. Ik zit soms in de Aya Sofia mijn krant te lezen. Een paar maand geleden maakte ik een solo-tentoonstelling in de Aya Irini, deel van het Topkapi-paleis, een Byzantijnse kerk met oorsprong in de derde, vierde eeuw. Ik was er alleen aan het werk, in het gezelschap van een paar rondfladderende duiven. Onder de koepel, in die hemisfeer, heb ik een van mijn verticale gipsen sculpturen gemaakt. Ter plekke geplaasterd. Dat zijn dingen die diep gaan. Gelukzak, denk ik dan bij mezelf, dat je op deze heilige grond, in het centrum van het oude Byzantium, jouw objecten mag plaatsen.”

Je lijkt niet de man die worstelt met z’n kunst, het gaat als vanzelf.

“Ik worstel enkel met de realiteit, nooit met vorm of uitdrukking. Ik heb zelfs het gevoel dat ik daar geen keuze in heb, dat ik geen beslissingen hoef te nemen.”

Er verandert ook weinig aan je vormen. Wat blijft overheersen zijn die immense witte figuren die fysisch groot maar qua uitdrukking nietig in de wereld staan.

“Elk beeld is hetzelfde, inhoudelijk, maar uiterlijk verschilt alles enorm. Vergelijk het met die figuur uit Close Encounters die dwangmatig in zijn hoopje puree naar de voorstelling zoekt van iets ongekend dat zich opdringt.  Het is alsof er in mij een kosmologie zit waarop alles wat ik maak wil aansluiten. De hoop is dat het ooit een geheel zal vormen. De vraag is alleen: waarom doe ik dat? Ik maak galactische wandelingen, en tegelijk zet ik geen stap vooruit (lacht luid).”

Misschien moet je stoppen met uitleg geven over wat je maakt.

“Ik wil een hand aanreiken, mijn figuren zelf willen dat ook, vandaar dat de hoofden figuratief blijven, zij willen vertrouwde vorm blijven om de mensen binnen te kunnen trekken in het verhaal. Ik ga ervan uit dat mijn beelden als ontvangers de richting tonen waar zich iets zou kunnen bevinden. Heel af en toe heb ik het gevoel dat het concentraat, het ultieme gevoel, pas vorm krijgt in de figuur van Christus. Soms lukt het ook, en is het ontroerend mooi. Dan kijk ik naar mijn beelden en denk ik: komaan zeg, ik ben mijn hele leven met niet anders bezig dan proberen Christus te maken. Via die metafoor doe ik een soort oerzoektocht. Vreemd is wel dat in vele culturen gevoeld wordt. Neem de Turkse familie Sabanci. Hier niet zo bekend, maar de Sabanci’s hebben universiteiten, een eigen museum, ze zitten in de bouw, in de banksector, hebben winkelketens. Een dame van de familie kocht een beeld van mij voor in haar tuin. Toen ik daar ineens zelf stond, na een rij bodyguards te zijn voorbijgelopen en beschaamd vroeg wat zij in dat beeld zag, antwoordde ze: “There is something about the white heads. I’m in love with the heads, the fragility’. Ze hield van mijn koppen in glazuur, die bijna uit elke porie wenen. Ik sta daar dan naar te kijken van: waarom toch?”

Wat voert je als kunstenaar tot de grootste bevrediging?

“Als ik die injectie krijg, die kick. Ik kan het écht niet uitleggen hoor, het is een moment van fysiek en mentaal genot. Ik heb er geen controle over. Het is mooi en tegelijk een drama, want het probleem is dat je treurt. Zo lang je het mist, treur je. Je werkt de hele tijd naar dat concentraat toe en eens voorbij treur je verder.”

Wanneer heb je dit laatst nog gevoeld?

“In Amsterdam in de Nederlandse Bank, toen ik daar een werk tekende op een groot wit blad aan de muur, tien meter op drie. Een enorm beangstigend vlak was het. Ik had geen voorstudie gemaakt. Ik wou door de stress en de angst van het moment gaan. Goed, ik begon en… je zal het niet geloven, maar mijn hand vertrok, liep over het blad, trok een paar lijnen, stuurde zichzelf. Alles werd er weer uitgeweend: verwondering, angst, liefhebben. Het tekenen duurde een half uur. Mensen van de bank kwamen even kijken en gingen weer weg. Ze dachten wellicht dat daar een gek bezig was. Ineens stond het daar: een androgyn menselijk figuur met de benen open gespreid. Toen ik dat zag voelde ik ontroering en schoonheid op z’n maximum. Daar was die emotionele essentie weer. In een taal die niet gesproken wordt.”

Je hebt het moeilijk met gewone taal, praat weinig, bent onwennig op feestjes, lastig ook, je gaat vroeg weg.

“Soms schaam ik me daarvoor maar dan denk ik meteen: wat is het toch onaf, de manier zoals we leven. Wat wij kennen is praten en iets met ons lichaam doen, vrijen bijvoorbeeld. Wat met al die taal ertussen? Uiteraard is kunst mijn taal, onaf, steeds groeiend, niet te verklaren. Zaken die helder kunnen uitgelegd worden voor je eraan begint, zitten er naast.”

Kunst ligt net in de onafheid en onvolmaaktheid.

“En niet in een succesformuletje dat gretig aftrek vindt. Wat Richter zei, vind ik nog steeds een van de mooiste conclusies: ‘Art becomes applied arts when it gives up the purposelessness, when it wants to convey an information’. Zodra kunst een exacte informatie wil geven is het zinloos, pure illustratie. Giotto bijvoorbeeld maakte geen illustratie, bij Giotto kwamen emotionele elementen samen, en verschoof er ineens van alles. Hij schilderde niet perfect maar was zo ontroerend. We hebben nu artiesten die de wetenschap tot kunst willen verheffen. Het spijt me, maar dat is net iets te weinig. Zelfs de exacte wetenschapper, de kwantumfysicus, moet concluderen dat er van alles aan hem ontglipt. Existentie. Het metagebeuren.”

Hoe komt het dat de godsdiensten van nu vooral met moraal, regels en orthodoxie bezig zijn, zelden met mystiek?

“Dat is zo triestig. Alles is woord en vorm geworden, het gaat zo weinig om het spirituele. Ik ga op zoek naar die dingen. In Westvleteren heb ik het gevoeld toen de monniken na de vespers hun plaats verlieten, op de koude grond gingen zitten, kap over het hoofd legden en in een diepe stilte wegzonken. In die stilte gebeurde er van alles. Ik was groggy toen ik buiten kwam. Ik stelde me toen voor dat wat ik deed, in mijn atelier, op een groot blad, zoekend naar dat concentraat ook een soort gebed is. En niet het gebed in enge betekenis. Ik geloof in niets hé. De kerk kan me gestolen worden. Die doet me nu denken aan de periode van de pausen van Avignon. Dezelfde toestanden zie je: geldgewin, macht, onderdrukking, perversiteiten. Dit heeft niets te maken met Christus maar met een bedrijf voor goddelijke zaken. Weg van dat voorbeeld van nederigheid, voorzichtigheid, in armoede leven, open staan voor anderen.”

Hoe zit het met jouw nederigheid?

“Ik werd er toe gedwongen in het begin van mijn leven, ik werd zo opgevoed. Fuck, wat heb ik klop gekregen als kind. En niet alleen fysiek. Laatst heb ik met veel interesse het dagboek van Natascha Kampush gelezen. Ik ben zo gefascineerd geraakt door die vrouw. Zelfs als ik er nu over praat, word ik er zeer emotioneel van. Toen ik haar op tv zag spreken, dacht ik: waw, die vrouw heeft een inzicht dat velen onder ons missen.”

Terwijl ze jaren lang in een soort kast onder de grond woonde.

“Als ze praat, sluit ze de ogen. Het is alsof haar taal uit een andere plek opborrelt dan uit die zelfverzekerde hersenen van een normaal opgegroeide mens. Zij weet wat eenzaamheid is, ik ken dat op mijn manier ook. Kampush heeft dé existentiële vraag moeten verwerken op heel jonge leeftijd: wat is dit leven, waar en waarom besta ik? Ook andere mensen, kinderen, jongeren kunnen op een bepaald moment zo geïsoleerd geraken, zo verstoken van nestwarmte dat de vraag ‘besta ik?’ levensnoodzakelijk wordt. Het kind hoeft niet in een kast onder de grond te zitten, het kan ook vereenzaamd en verweesd in huis zitten en er totaal niets van begrijpen.”

Hebben we het hier over het kind Tahon?

“Absoluut, en toch heb ik, net als Kampush, een positieve wending gegeven aan dat barre verhaal. Al zal dat fundamentele gevoel van alleen zijn een onderstroom in mij blijven, voor de rest van mijn dagen. Uitbreken uit mijn eenzaamheid deed ik als kind door in het landschap van de Eerste Wereldoorlog rond te struinen. Op die immense begraafplaats groef ik resten van de oorlog op. Door het letterlijke en later figuurlijke graven in de Grote Oorlog heb ik contact gemaakt met het gruwelijke dat in de mens zit. Tegelijk was er zo veel rottigheid rondom mij. Mijn vader had op z’n vierde zijn moeder verloren en is dat wellicht nooit te boven gekomen. Hij had zware melancholische buien als hij dat diepe leed in zich besefte. Hij kon als een kind staan snikken onder de Ieperse Menenpoort. Daar stonden we dan. Hij in zijn eenzaamheid, ik in de mijne. ‘Wat doe ik hier eigenlijk in dit leven’, vroeg ik me toen af, terwijl ik te jong was om dat wezenlijk te beseffen. Het was een intuïtief existentialisme. Vooral het besef van ‘fuck, ik sta er alleen voor’.”

Wat vond je vader later van je werk?

“Het eerste beeld dat ik thuis gemaakt heb, heeft hij kapot geslagen. Zo wou hij me klein krijgen, maar het enige wat kapot ging, was zijn vloer. Tijdens het maken van een tweede beeld heeft hij het me zo lastig gemaakt dat ik het beeld zelf van de trap naar beneden gooide. Echt, dat was nogal hallucinant bij ons thuis.”

Zit de agressie van jouw vader in jou?

“Nee, ik voelde het zelfs niet toen ik nog volop dronk. Ik reageer niet op zo’n manier. Intussen ben ik wel al zes jaar van de drank af. Van de ene dag op de andere stopte ik, en voor mijn werk is het zeer goed gebleken. Wetenschappers stelden ooit vast dat alcoholgebruik bij kunstenaars in hun beginjaren goed is, wegens het onderzoek dat ze dan voeren. Na een tijdje volgt echter de verzadiging en is alles uit de alcohol gehaald wat er uit te halen viel. Stopt het drinken niet, dan kan het destructief worden en zich tegen het werk keren. Ik denk dat ik dat gevoeld heb, in die periode toen ik tijd verloor aan drinken en de katers nadien: het kwam mijn werk niet ten goede. Nu drink ik nooit nog een glas. Als het iets moeilijker wordt, werk ik of lees ik een boek. Boeken zijn heilig en veilig. Ik sleur ze overal mee naartoe, als amuletten.”

Zoals bange kinderen gelukspopjes meenemen om hun angst te bezweren.

“Heel juist. Ik las dat Jung in zijn kinderjaren ook een popje had en zelfs een doos maakte om het te verbergen. Niemand mocht weten dat het bestond. Het was een soort numen, hij gaf daar een betekenis aan. Het ‘moderne’ gelukspopje van de kinderen nu is ook iets ritueels, een amulet waar je een afspraak mee maakt, zo van ‘jij gaat me een beetje verzorgen, we zijn onderweg’. Ik heb mijn amulet, mijn numen, steeds groter laten worden, doen groeien en op een bepaald moment stond daar een enorm groot wit amulet, een beeld. In Oudenaarde op de markt staat het allereerste en ik ben er sindsdien niet mee gestopt.”