1
in grillig wit woont een dier dat (in vlammen en te paard) naar de horizon waait
waar het kalk graast en sterren stenigt (en brandt)
het groeit oren in de nek en verstart en luistert naar de gensters
het sterft tot staketsel weg en witte asse vervliegt tot grillig roest aan de horizon (dat draaft)
2
we staken steen in brand om erts te winnen
staalden onze handen beroetten ons gezicht
vliegensvlug plukten we keien uit het vuur eieren van magma oranje gloeiend in de palmen - velllen vielen van onze vingers
we legden ze in een nieuw nest van prikkeldraad
tot bloedens toe zullen we broeden
3
onze geroofde prooi gloeit en glooit (en groeit)
kaalgeschoren adelaars bezitten schil en blaren
ogen blikkeren (tomeloos van de hoogte) boren barsten in de glans van dit heuvelland
in vers bevlekte nesten bewaren we onze grootste vangst (met nieuwe, blote vleugels)
4
uit wijdopengesperde kaken (de schaamharen platgebrand) schrijnt het
pril lillend (ontvlamd)
op schubben smelt en stolt het in vorm
en bevliegt de horizon vluchtig (een godendroom)
|