jt

NED / ENG

logo

En Toch - Jan Hoet

Telkens wanneer ik het werk van Johan Tahon terugzie, zijn er uiteenlopende, conflictueuze indrukken die zich gelijktijdig opdringen. Centraal staat dat haast onheilspellend gevoel van verstilling waartoe z'n sculpturen me als het ware dwingen, een zuiverheid, een reiken naar het absolute. Aan de andere kant geven de beelden ook sterk de indruk van een moeizaam, laborieus gevecht met de ambachtelijke condities van het maken. Dit gevecht staat in functie van het creëren van een totaalbeeld. De plastische problemen gaan daarbij op in een wanhopige zoektocht naar zijn identiteit als mens en kunstenaar en naar zijn positie tussen verleden en toekomst.
Ook al staat het mensbeeld in elk van zijn sculpturale constructies centraal, er is nooit sprake van een realiteit die buiten de kunstenaar staat. Het mensbeeld formuleert Tahon als een antwoord op de vraagstelling omtrent de relatie sculptuur-ruimte; het klassieke medium. Door de manier waarop hierop wordt ingegaan, wordt ons een inzicht verschaft over wie de kunstenaar is, wat hij zoekt en waarnaar hij streeft. Overal treft ons éénzelfde gemoedsgesteldheid, die van een dieperliggende onrust, een menselijke tragiek ook, en een gevoel van onmacht soms. Dat alles verschijnt zeer duidelijk aan de oppervlakte: het vormgeven verloopt procesmatig. Breuken, toeval en een noodzaak tot herstel wisselen elkaar af, gaan ritmisch in elkaar over. De verbrokkeling dialogeert met constructie. En ook wanneer je de anatomische geledingen bekijkt, uitgelengd of gezwollen, gefragmenteerd of verbonden, lijkt het alsof de anatomie moet worden heruitgevonden, steeds opnieuw. Of is dit te ver gedacht en is het eenvoudig de weerbarstigheid van de kunstenaar die vrij wil zijn van de uitdagingen die de klassieke anatomie en de regels van perspectief ons hebben opgelegd? In elk geval bevatten de vormen een blijvende spanning.
Er is evenmin een centrum in deze sculpturen waardoor ons oog tot rust zou kunnen komen. Ons oog verdwaalt in verschillende richtingen naargelang van de bewegingen waarop het terechtkomt, de curven, de grilligheid van de structuur. En toch heersen uiteindelijk stilte en onbeweeglijkheid. Ze treden pas dan op wanneer het geheel werd afgetast, afgetast zoals een muilezel dat doet met een bergpad. Daartoe draagt zeker de huid bij van het visuele spanningsveld, zoals dat ontstaat door de kleinschalige tegenstellingen, de onverwachte wendingen, in de bewerking van het gips, nu eens met de vingers, dan weer met de kwast of met de spatel, of de verrassende overschakelingen naar het gebruik van extra-sculpturale materialen. Stilte, een stilte die nodig is wil het mensbeeld sculptuur zijn. Zelfs de fragmenten die aanvankelijk slechts hulpmiddel waren in het verlenen van stabiliteit of die een opstapje waren om tot schaalvergroting te kunnen komen, zijn mee sculptuur geworden. We vergeten hun functionaliteit. Of het een kist is, een plank, een stoel of een emmer die de sculptuur dragen, ze worden alle sculptuur. Datgene wat we in de klassieke beeldhouwkunst als sokkel hebben benoemd, wordt integraal bestanddeel van een duel met de ruimte.
De kracht van Johan Tahon ligt in zijn koppige houding waarbij hij de sporen wil blijven laten zien van dit gevecht dat vaak alleen – en altijd alleen ten volle – in het atelier van de kunstenaar zichtbaar en tastbaar is. In dit werk blijft het atelier nawerken, zelfs binnen de neutrale ruimte van een galerij of een museum. Het blijft aanwezig, kwetsbaar, en toch vitaal. Onafgewerkt, en toch zelfstandig geworden sculptuur.