jt

NED / ENG

logo

Wordende Verstillingen van de Ziel - Jenke Van den Akkerveken


Wordende Verstillingen van de Ziel
Tussen wat troost en wat ontroostbaar is


Voor mij zijn alle dingen

Te nauw om te bezingen:
Ik ben zo wijd!
Ik omgrijp een ander wezen,
Ongeschapen, hooggeprezen,
Van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Ik heb het gevat:
Het heeft mij omvat,
Uitgespreid wijder dan wijd:
Al ’t andere is mij te nauw.
Dat weet algauw,
Gij die daar ook zijt.

– Hadewijch, uit Mengeldicht XXI, 13de eeuw –


Johan Tahon:
“Heb ik je ooit verteld over een droombeeld dat ik had toen ik een jaar of veertien was? Over die grote, zacht zoemende vuurbol die plots, vanuit het niks opdook en een helder wit licht verspreidde? Een paar seconden, minuten… ik weet het niet meer. Ik stond als aan de grond genageld. Ik was niet angstig. Integendeel. Een warm gevoel van geborgenheid en herkenning overviel me. Ik had voor altijd op die ene plek, in dat ene, allesomvattende moment willen blijven. Toen de ervaring voorbij was, werd ik plots teruggeworpen in een eenzame leegte en voelde ik een diep gemis dat me sindsdien eigenlijk nooit meer echt heeft losgelaten. Wat er mij toen overkomen is, weet ik niet. Is er een wetenschappelijke verklaring voor wat ik heb ervaren? Misschien wel. Maar voor mij maakt dat geen verschil. Ik heb er lang met niemand zo woordelijk over willen spreken, maar ik denk dat ik in mijn werk altijd op zoek ben blijven gaan naar wat ik toen heb mogen gewaarworden. Ik wil mijn verhaal vertellen doorheen mijn beelden.”

En waar komt Tahons verhaal beter tot zijn recht dan in de Hagia Irene, een magische kerk die zowat 1800 jaar na haar oprichting nog steeds de rijke spirituele sfeer van het vroege Byzantium ademt? Hoewel ook zij niet ontsnapt is aan het geweld van de iconoclasten en ze haast volledig is ontdaan van wat ooit een impressionante, met gouden tesserae overladen iconografie moet zijn geweest, voelt de Hagia Irene in haar huidige verstilling nog steeds aan als een vanzelfsprekend schuiloord voor beelden én hun beschouwers.

Een atelier van Johan Tahon stap je niet zomaar binnen. Je betreedt het. Als een heiligdom, als een tempel der verstilling. Fluisterend, nederig, vol ontzag voor die witte gedaanten met hun grillige oppervlak waaronder en waarin een hele wereld schuilgaat. De beelden lijken je stuk voor stuk hun verhaal te willen vertellen, lijken je te willen meenemen naar de plek waar zij vandaan komen, naar de ruimte van hun eigen creatie.
Tahon verwoordt deze ruimte waarin zijn beelden vorm krijgen zelf als een immer vibrerende, steeds uitdijende en weer inkrimpende dimensie die hem pijnlijk dicht op de huid zit, waarin en waarmee hij in staat is te communiceren in een woordeloze taal. In deze dimensie ontstaat en kan ontstaan. Het is een voeldenkruimte waarin een voortdurende uitwisseling van gedeelde inspiratie plaatsvindt tussen het zelf en iets onkenbaar anders. Tahons sculpturen zijn het resultaat van deze zinderende uitwisseling. Ze zijn als het ware de directe vleeswordingen van een gevoelde connectie met datgene wat alle woordelijke betekenis overstijgt.

Tahons sculpturen zijn kwetsbaar. Het zijn wonden. Binnenstebuiten gekeerde lichamen. Elke beeldende handeling is voor hem de veruitwendiging van een pijnlijk helende flits, van de paradoxale ervaring van wat tegelijk een aanraking met en een afsnijding van is. Zijn sculpturen zijn premature stollingen van iets wat nooit betekend zal kunnen worden door zijn fundamentele vlietendheid.
Als je hem vraagt naar het ontstaansproces van zijn beelden spreekt Tahon niet alleen over een flitsende aanraking met iets wat misschien nog het meest op absolute liefde gelijkt, maar tegelijk ook over het onvermijdelijke teruggeworpen worden nadien. Aan de basis van de sculpturen ligt een pijnlijk onstilbaar verlangen. Zijn werk ontstaat uit een existentiële pijnervaring, een ervaring van plotse eenzaamheid, uit het niet aflatende gevoel van een fundamenteel gemis dat nooit permanent zal kunnen worden opgevuld. In deze ervaring raakt Tahon aan die universele afgrondigheid die aan de basis ligt van alles wat later betekenis zal worden. Hoewel hij in het creëren tijdelijk de link herstelt met een voorgoed afwezig gewaande doch essentiële dimensie en troost vindt in die korte versmelting, voelt hij tegelijk dat dit prachtige raken een kern van pijn in zich draagt, de pijn van de onafwendbaarheid van het loslaten en dus van een fundamentele onherstelbaarheid.
De helende verbinding is dus steeds onlosmakelijk verbonden met een pijnlijk loslaten. Maar het moment waarop het raken en het loslaten verenigd worden in een enkel gevoel, knettert een creatieve vonk zich los uit de relatie tussen de kunstenaar en zijn omgeving en slaat ze neer in een beeldende handeling. Tahons enige verlossing zit dus in het maken van beelden. Zijn sculpturen zijn relieken van een is-gebeurd en bieden troost. Het zijn verstillingen die verzachten, maar die ook pijnlijk herinneren aan een helende stroom uit het verleden.

Het atelier wordt voor Tahon een soort van schuiloord, een beschermende cocon waarin hij tot rust komt tussen al zijn relieken, zijn onafgewerkte herinneringen. Maar die relieken moeten ook op pad. Ze moeten hun verhaal gaan verkondigen aan de buitenwereld. Tahons kunst is niet zuiver narcistisch, laat staan egoïstisch. Integendeel. De beelden zijn niet enkel verstillingen van zijn eigen ziel, maar dragen ook de hoop in zich om troost te kunnen bieden aan eenieder die deelt in zijn gemis. Tahons sculpturen kunnen worden gezien als uitwaaieringen van zijn eigen blinde vlek, maar ze zijn ook meer dan dat. Ze zijn niet enkel de verwerkingen van een persoonlijk trauma, maar ook van een gedeeld trauma, van een gemis van een archaïsch (n)iets, misschien wel van het doorknippen van een metaforische navelstreng.
Het gaat hier niet om iets transcendentaals of afstandelijk subliems dat het voorrecht is van een uitverkorene. We kennen die ruimte van gemis waarover het gaat allemaal. Zonder het te beseffen maken we er allemaal dagelijks deel van uit. We zijn immers allemaal draden van hetzelfde trillende web dat onophoudelijk wordt geweven. In elke verwondering, in elke toevalligheid, in elke traan ook, in elke siddering die door ons lichaam trekt, raken we een stukje van deze ruimte. Maar toch zijn we er al te vaak blind voor. Uit geconditioneerde zelfbescherming. Paradoxaal genoeg worden we blind door juist teveel te willen kijken, door onze blik steeds zo scherp te willen stellen opdat we zouden kunnen door-dringen, kunnen in-dringen en dit zonder ons bewust te zijn van de fragiliteit van onze eigen limieten.
Het onduidelijke nonfinito van Tahons sculpturen zorgt er net voor dat scherpstelling onmogelijk wordt en dat de blik vertraagt. Het oog blijft hangen, het directe zien wordt opgeschort. Wie zijn beelden benadert met een dominant, dissecterend oog zal nooit rust vinden in zijn kijken. Enkel wie zijn blik volledig overgeeft aan het beeld, aan de aanwezigheid ín het beeld, wie zich overgeeft aan het mysterie van de oneindigheid en de duik waagt in de bodemloze diepte achter het beeld, zal het ook daadwerkelijk begrijpen. Al is begrijpen een term die de lading verre van dekt. Het gaat eerder om een in-zien, een raken aan iets onbetekenbaars, aan de onderhuidse betekenislaag die achter alle woordelijke betekenis schuilgaat en die ook in deze tekst enkel tussen de regels te vinden is.

Tahons sculpturen zijn dus niet alleen wonden, maar zijn ook drempels of poorten. Het zijn openingen die de ander uitnodigen naar die ongrijpbare, onkenbare doch diep vertrouwde plek die voortdurend transformeert vanuit haar eigen creatieve geladenheid. Ze nodigen uit tot communicatie, tot een wederzijdse verrijking. Ze openen zichzelf en vragen van hun toeschouwer hetzelfde, opdat de onderhuidse vonken zouden kunnen overslaan in die intieme tussen-in-ruimte die ontstaat tussen kijker en bekekene.
Deze tussen-in-ruimte is de ruimte van het ontstaan en het worden, van de intuïtie en het creatieve potentieel. Psycho-analytica Bracha L. Ettinger omschreef haar als een matrixiale grensruimte, een trans-subjectieve, sub-symbolische ruimte waarin subject en object samen worden-in-verscheidenheid. Om deze sfeer te duiden gebruikt ze de metafoor van de baarmoeder of matrix die een permanent dynamische grensruimte is waarin moeder en kind elkaar vorm geven, samen in wording zijn door een uitwisseling van psycho-corporele affecten die nog niet betekend zijn in het woord. De baarmoeder is een paradoxale ruimte waarin binnen en buiten elkaar ontmoeten en heden en verleden met elkaar verenigd worden. Ze is een wederzijdse grensruimte waarin moeder en kind in staat zijn elkaar betekenis te geven zonder te versmelten in een volledige, betekenisloze symbiose.
Ook na de geboorte zijn we nooit volledig afgesneden van deze ruimte, we hebben haar alleen verdrongen. Uit angst. Uit angst om onszelf te verliezen in de ander, uit angst om grip te verliezen, terwijl we net enkel door middel van dit soort intieme, woordeloze communicatie, door deze wederzijdse fragilisering, het onstilbare verlangen in onze ziel kunnen verstillen. Enkel in die dimensie die de sporen draagt van een archaïsch verleden, zijn we in staat elkaars trauma te verwerken. Kunstwerken als die van Tahon kunnen ons helpen de lang verloren connectie met deze oerruimte te herstellen en opnieuw geborgenheid te vinden in de chaos van het onkenbare.
Maar een dergelijke kwetsbare uitwisseling van woordeloze begrippen vergt dus moed. Om tot een intens begrijpen te komen moet de toeschouwer zich durven loslaten. Hij moet zijn blik laten rusten en zich durven overgeven aan iets onbeheersbaars, aan een samen-wording. Hij moet de fragiliteit van zijn eigen limieten aanvaarden, moet doorlaatbaar worden en zich kwetsbaar opstellen tegenover de ander, de wereld, het universum. Wie Tahons beelden wil zien, moet niet langer vasthouden aan voorlopige betekenissen die voortdurend rond het zwarte gat van de onbetekenbaarheid blijven draaien maar moet een pijnlijke sprong maken in de helende diepte van zijn eigen blinde vlek. In l’Image Ouverte verwoordt Georges Didi-Huberman deze ervaring van het beeld als volgt: “… une expérience intérieure qui ne consiste justement pas à réfléchir son moi, à le confiner, mais à le blesser, à l’ouvrir grand pour y laisser entrer l’altérité du réel. L’image devient alors notre objet de non-consolation.” Het beeld beweegt zich met andere woorden op de dunne grens tussen wat troost en wat ontroostbaar is.